Epicurus

Samenvatting

Epicurus (341-270 v. Chr.) was een oude Griekse filosoof en wijsgeer die het Epicureanisme, een zeer invloedrijke filosofische school, stichtte. Hij werd geboren op het Griekse eiland Samos uit Atheense ouders. Onder invloed van Democritus, Aristippus, Pyrrho en mogelijk de Cynici keerde hij zich tegen het Platonisme van zijn tijd en stichtte hij in Athene zijn eigen school, bekend als “de Tuin”. Epicurus en zijn volgelingen stonden bekend om het eten van eenvoudige maaltijden en het bespreken van een breed scala aan filosofische onderwerpen. Hij stond openlijk vrouwen en slaven toe tot de school als een kwestie van beleid. Epicurus zou oorspronkelijk meer dan 300 werken over verschillende onderwerpen hebben geschreven, maar het overgrote deel van deze geschriften is verloren gegaan. Slechts drie brieven van zijn hand – de brieven aan Menoceus, Pythocles en Herodotus – en twee verzamelingen citaten – de voornaamste doctrines en de Vaticaanse spreuken – zijn bewaard gebleven, samen met enkele fragmenten van zijn andere geschriften. De meeste kennis over zijn leer is afkomstig van latere auteurs, met name de biograaf Diogenes Laërtius, de Epicuristische Romeinse dichter Lucretius en de Epicuristische filosoof Philodemus, en met vijandige maar grotendeels accurate verslagen van de Pyrrhonistische filosoof Sextus Empiricus, en de Academische scepticus en staatsman Cicero.

Voor Epicurus was het doel van de filosofie om mensen te helpen een gelukkig (eudaimonisch), rustig leven te bereiken, gekenmerkt door ataraxia (vrede en vrijheid van angst) en aponia (de afwezigheid van pijn). Hij pleitte ervoor dat mensen het best in staat waren om filosofie na te streven door een zelfvoorzienend leven te leiden, omringd door vrienden. Hij leerde dat de wortel van alle menselijke neuroses de ontkenning van de dood is en de neiging van de mens om aan te nemen dat de dood afschuwelijk en pijnlijk zal zijn, hetgeen volgens hem onnodige angst, zelfzuchtig zelfbeschermend gedrag en hypocrisie veroorzaakt. Volgens Epicurus is de dood het einde van zowel het lichaam als de ziel en moet daarom niet worden gevreesd. Epicurus onderwees dat de goden weliswaar bestaan, maar dat zij zich niet met menselijke aangelegenheden bemoeien. Hij onderwees dat mensen zich ethisch moeten gedragen, niet omdat de goden mensen voor hun daden straffen of belonen, maar omdat amoreel gedrag hen met schuld zal belasten en hen zal verhinderen ataraxia te bereiken.

Net als Aristoteles was Epicurus een empirist, wat betekent dat hij geloofde dat de zintuigen de enige betrouwbare bron van kennis over de wereld zijn. Hij ontleende veel van zijn fysica en kosmologie aan de vroegere filosoof Democritus (ca. 460-c. 370 v.Chr.). Net als Democritus leerde Epicurus dat het universum oneindig en eeuwig is en dat alle materie is opgebouwd uit uiterst kleine, onzichtbare deeltjes, atomen genaamd. Alle gebeurtenissen in de natuurlijke wereld zijn uiteindelijk het resultaat van atomen die in de lege ruimte bewegen en op elkaar inwerken. Epicurus week af van Democritus door het idee van de atomaire “uitwijking” voor te stellen, dat inhoudt dat atomen kunnen afwijken van hun verwachte koers, waardoor mensen een vrije wil kunnen hebben in een anders deterministisch universum.

Hoewel populair, waren de Epicuristische leerstellingen vanaf het begin controversieel. Epicurisme bereikte het hoogtepunt van zijn populariteit tijdens de late jaren van de Romeinse Republiek. Het stierf uit in de late oudheid, onder invloed van vijandigheid van het vroege Christendom. Gedurende de Middeleeuwen werd Epicurus in de volksmond, hoewel onjuist, herinnerd als een beschermheer van dronkaards, hoerenlopers en gulzigaards. Zijn leer kreeg geleidelijk meer bekendheid in de vijftiende eeuw door de herontdekking van belangrijke teksten, maar zijn ideeën werden pas aanvaard in de zeventiende eeuw, toen de Franse katholieke priester Pierre Gassendi een gewijzigde versie ervan nieuw leven inblies, die door andere schrijvers werd gepromoot, onder wie Walter Charleton en Robert Boyle. Zijn invloed groeide aanzienlijk tijdens en na de Verlichting, en had een diepgaande invloed op de ideeën van belangrijke denkers, waaronder John Locke, Thomas Jefferson, Jeremy Bentham, en Karl Marx.

Epicurus werd geboren in de Atheense nederzetting op het Egeïsche eiland Samos in februari 341 v. Chr. Zijn ouders, Neocles en Chaerestrate, waren beiden in Athene geboren, en zijn vader was een Atheens burger. Epicurus groeide op tijdens de laatste jaren van de Griekse Klassieke Periode. Plato stierf zeven jaar voordat Epicurus werd geboren en Epicurus was zeven jaar oud toen Alexander de Grote de Hellespont overstak naar Perzië. Als kind zou Epicurus een typisch Oudgriekse opvoeding hebben genoten. Als zodanig is het volgens Norman Wentworth DeWitt “ondenkbaar dat hij ontsnapt zou zijn aan de Platoonse training in geometrie, dialectiek en retorica”. Van Epicurus is bekend dat hij onderricht heeft gehad van een Samische Platonist genaamd Pamphilus, waarschijnlijk gedurende ongeveer vier jaar. Zijn Brief aan Menoeceus en overgebleven fragmenten van zijn andere geschriften doen sterk vermoeden dat hij een uitgebreide opleiding in de retorica had. Na de dood van Alexander de Grote verdreef Perdiccas de Atheense kolonisten op Samos naar Colophon, op de kust van wat nu Turkije is. Na het vervullen van zijn militaire dienstplicht, voegde Epicurus zich bij zijn familie aldaar. Hij studeerde bij Nausiphanes, die de leer van Democritus volgde, wiens manier van leven Epicurus zeer bewonderde.

Epicurus” leer was sterk beïnvloed door die van vroegere filosofen, met name Democritus. Desalniettemin verschilde Epicurus op een aantal belangrijke punten van het determinisme van zijn voorgangers en ontkende hij ten stelligste beïnvloed te zijn door eerdere filosofen, die hij als “verward” bestempelde. In plaats daarvan hield hij vol dat hij “autodidact” was geweest. Volgens DeWitt vertonen Epicurus” leerstellingen ook invloeden van de contemporaine filosofische school van het Cynisme. De cynische filosoof Diogenes van Sinope leefde nog toen Epicurus in Athene zou zijn geweest voor zijn verplichte militaire training en het is mogelijk dat zij elkaar hebben ontmoet. Diogenes” leerling Crates van Thebe (ca. 365 – ca. 285 v. Chr.) was een naaste tijdgenoot van Epicurus. Epicurus was het eens met het streven van de Cynici naar eerlijkheid, maar verwierp hun “onbeschaamdheid en vulgariteit”, en leerde in plaats daarvan dat eerlijkheid gepaard moest gaan met hoffelijkheid en vriendelijkheid. Epicurus deelde deze opvatting met zijn tijdgenoot, de komische toneelschrijver Menander.

Epicurus” Brief aan Menoeceus, mogelijk een vroeg werk van hem, is geschreven in een welsprekende stijl die lijkt op die van de Atheense retoricus Isocrates (436-338 v.Chr.), maar voor zijn latere werken lijkt hij de kale, intellectuele stijl van de wiskundige Euclides te hebben aangenomen. Epicurus” epistemologie is ook ongemerkt schatplichtig aan de latere geschriften van Aristoteles (384-322 v.Chr.), die het Platoonse idee van de hypostatische Rede verwierp en in plaats daarvan vertrouwde op de natuur en empirisch bewijs voor kennis over het universum. Tijdens Epicurus” vormingsjaren breidde de Griekse kennis over de rest van de wereld zich snel uit als gevolg van de hellenisatie van het Nabije Oosten en de opkomst van hellenistische koninkrijken. Epicurus” filosofie was daardoor universeler dan die van zijn voorgangers, omdat zij niet alleen kennis nam van Grieken, maar ook van niet-Griekse volkeren. Hij had wellicht toegang tot de nu verloren gegane geschriften van de historicus en etnograaf Megasthenes, die schreef tijdens de regering van Seleucus I Nicator (regeerde 305-281 v. Chr.).

Onderwijscarrière

Tijdens Epicurus” leven was het Platonisme de dominante filosofie in het hoger onderwijs. Epicurus” verzet tegen het Platonisme vormde een groot deel van zijn denken. Meer dan de helft van de veertig voornaamste leerstellingen van het Epicureanisme zijn vlakke tegenspraken van het Platonisme. Rond 311 v. Chr. begon Epicurus, toen hij ongeveer dertig jaar oud was, les te geven in Mytilene. Rond deze tijd arriveerde Zeno van Citium, de grondlegger van het stoïcisme, in Athene, toen hij ongeveer eenentwintig jaar oud was, maar Zeno begon pas twintig jaar later te onderwijzen wat later het stoïcisme zou worden. Hoewel latere teksten, zoals de geschriften van de Romeinse redenaar Cicero uit de eerste eeuw v. Chr., het epicurisme en het stoïcisme als rivalen afschilderen, lijkt deze rivaliteit pas na de dood van Epicurus te zijn ontstaan.

Epicurus” leer veroorzaakte onrust in Mytilene en hij werd gedwongen te vertrekken. Hij stichtte vervolgens een school in Lampsacus voordat hij in ca. 306 v. Chr. naar Athene terugkeerde, waar hij tot aan zijn dood verbleef. Daar stichtte hij De Tuin (κῆπος), een school genoemd naar de tuin die hij bezat en die dienst deed als de ontmoetingsplaats van de school, ongeveer halverwege de locaties van twee andere scholen van filosofie, de Stoa en de Academie. De tuin was meer dan alleen een school; het was “een gemeenschap van gelijkgestemde en strevende beoefenaars van een bepaalde levenswijze”. De belangrijkste leden waren Hermarchus, de financier Idomeneus, Leonteus en zijn vrouw Themista, de satiricus Colotes, de wiskundige Polyaenus van Lampsacus, en Metrodorus van Lampsacus, de beroemdste popularisator van het Epicureïsme. Zijn school was de eerste van de oude Griekse filosofische scholen die vrouwen eerder als regel dan als uitzondering toeliet, en de biografie van Epicurus door Diogenes Laërtius vermeldt vrouwelijke studenten zoals Leontion en Nikidion. Een inscriptie op de poort naar De Tuin is opgetekend door Seneca de Jongere in epistel XXI van Epistulae morales ad Lucilium: “Vreemdeling, hier zult u er goed aan doen te blijven; hier is ons hoogste goed het genot.”

Volgens Diskin Clay heeft Epicurus zelf de gewoonte in het leven geroepen om zijn verjaardag jaarlijks te vieren met gezamenlijke maaltijden, passend bij zijn status als heros ktistes (“stichtende held”) van het Hof. Hij verordende in zijn testament jaarlijkse herdenkingsfeesten voor zichzelf op dezelfde datum (10e van de Gamelion maand). De Epicurische gemeenschappen zetten deze traditie voort door naar Epicurus te verwijzen als hun “redder” (soter) en hem als held te vieren. De heldencultus van Epicurus kan hebben gefungeerd als een tuinvariant van de burgerlijke religie. Duidelijk bewijs voor een Epicurus” heldencultus lijkt echter, net als de cultus zelf, begraven onder het gewicht van postume filosofische interpretatie. Epicurus is nooit getrouwd en had geen bekende kinderen. Hij was hoogst waarschijnlijk vegetariër.

Dood

Diogenes Laërtius schrijft dat Epicurus, volgens zijn opvolger Hermarchus, in 270 v. Chr. op tweeënzeventigjarige leeftijd een langzame en pijnlijke dood stierf als gevolg van een verstopping van zijn urinewegen door een steen. Ondanks zijn immense pijn zou Epicurus opgewekt zijn gebleven en tot het einde toe les hebben gegeven. Mogelijk inzicht in Epicurus” dood biedt de uiterst korte Brief aan Idomeneus, door Diogenes Laërtius opgenomen in Boek X van zijn Levens en Meningen van Eminente Filosofen. De authenticiteit van deze brief is onzeker en het zou een latere pro-Epicuristische vervalsing kunnen zijn, bedoeld om een bewonderenswaardig portret van de filosoof te schetsen als tegenwicht tegen het grote aantal vervalste epistels in Epicurus” naam waarin hij in ongunstige zin werd afgeschilderd.

Ik heb u deze brief geschreven op een voor mij gelukkige dag, die tevens de laatste dag van mijn leven is. Want ik ben overvallen door een pijnlijk onvermogen om te urineren, en ook door dysenterie, zo hevig dat er niets aan het geweld van mijn lijden kan worden toegevoegd. Maar de opgewektheid van mijn geest, die voortkomt uit de herinnering aan al mijn filosofische overpeinzingen, biedt tegenwicht aan al deze kwalen. En ik smeek u om voor de kinderen van Metrodorus te zorgen, op een manier die de toewijding waardig is die de jongeman aan mij en aan de filosofie heeft getoond.

Als deze brief authentiek is, zou hij de traditie ondersteunen dat Epicurus tot het einde toe vreugdevol kon blijven, zelfs te midden van zijn lijden. Het zou er ook op wijzen dat hij een bijzondere bezorgdheid voor het welzijn van kinderen koesterde.

Epistemologie

Epicurus en zijn volgelingen hadden een goed ontwikkelde epistemologie, die tot stand kwam als gevolg van hun rivaliteit met andere filosofische scholen. Epicurus schreef een verhandeling onder de titel Κανών, of Regel, waarin hij zijn onderzoeksmethoden en kennistheorie uiteenzette. Dit boek is echter niet bewaard gebleven, evenmin als enige andere tekst die de epistemologie van Epicurus volledig en duidelijk uiteenzet, zodat alleen vermeldingen van deze epistemologie door verschillende auteurs overblijven om deze te reconstrueren. Epicurus was een fervent Empiricus; hij geloofde dat de zintuigen de enige betrouwbare bronnen van informatie over de wereld zijn. Hij verwierp het Platoonse idee van de “Rede” als een betrouwbare bron van kennis over de wereld naast de zintuigen en was een bittere tegenstander van de Pyrrhonisten en de Academische Sceptici, die niet alleen twijfelden aan het vermogen van de zintuigen om nauwkeurige kennis over de wereld te verschaffen, maar ook of het überhaupt mogelijk is om iets over de wereld te weten.

Epicurus beweerde dat de zintuigen de mens nooit bedriegen, maar dat de zintuigen wel verkeerd geïnterpreteerd kunnen worden. Epicurus was van mening dat het doel van alle kennis is om de mens te helpen ataraxia te bereiken. Hij onderwees dat kennis eerder door ervaringen wordt aangeleerd dan aangeboren en dat het aanvaarden van de fundamentele waarheid van de dingen die een mens waarneemt essentieel is voor iemands morele en spirituele gezondheid. In de Brief aan Pythocles stelt hij: “Als een mens het duidelijke bewijs van zijn zintuigen bestrijdt, zal hij nooit in staat zijn te delen in de ware rust.” Epicurus beschouwde zijn onderbuikgevoelens als de ultieme autoriteit op het gebied van moraliteit en was van mening dat het feit of iemand voelt dat een handeling goed of verkeerd is, een veel betere gids is voor de vraag of die handeling werkelijk goed of verkeerd is dan abstracte stelregels, strenge gecodificeerde ethische regels of zelfs de rede zelf.

Epicurus stond toe dat elke bewering die niet direct in strijd is met de menselijke waarneming, de mogelijkheid heeft waar te zijn. Niettemin kan alles wat in strijd is met iemands ervaring als onwaar worden uitgesloten. Epicuristen gebruikten vaak analogieën met de dagelijkse ervaring om hun argument van de zogenaamde “onwaarneembaarheden” te ondersteunen, waartoe alles behoorde wat een mens niet kan waarnemen, zoals de beweging van atomen. In overeenstemming met dit principe van non-contradictie geloofden de Epicuristen dat gebeurtenissen in de natuurlijke wereld meerdere oorzaken kunnen hebben die allemaal even mogelijk en waarschijnlijk zijn. Lucretius schrijft in Over de aard der dingen, zoals vertaald door William Ellery Leonard:

Er zijn ook dingen waarvan je niet kunt zeggen wat de enige oorzaak is, maar verschillende, waarvan er één de ware is. Als je het levenloze lijk van een man in de verte zou zien liggen, zou je alle doodsoorzaken moeten opnoemen, zodat de oorzaak van zijn dood wordt genoemd. Want als hij niet door staal, kou, vergif of ziekte is omgekomen, is hem toch iets dergelijks overkomen. Dat weten we. En zo moeten we hetzelfde zeggen in verschillende gevallen.

Epicurus had een sterke voorkeur voor naturalistische verklaringen boven theologische. In zijn Brief aan Pythocles geeft hij vier verschillende mogelijke natuurlijke verklaringen voor donder, zes verschillende mogelijke natuurlijke verklaringen voor bliksem, drie voor sneeuw, drie voor kometen, twee voor regenbogen, twee voor aardbevingen, enzovoort. Hoewel nu bekend is dat al deze verklaringen onjuist zijn, vormden zij een belangrijke stap in de geschiedenis van de wetenschap, omdat Epicurus trachtte natuurlijke verschijnselen te verklaren met behulp van natuurlijke verklaringen, in plaats van zijn toevlucht te nemen tot het verzinnen van uitvoerige verhalen over goden en mythische helden.

Ethiek

Epicurus was een hedonist, wat betekent dat hij onderwees dat wat aangenaam is moreel goed is en dat wat pijnlijk is moreel slecht is. Hij definieerde “genot” idiosyncratisch als de afwezigheid van lijden en onderwees dat alle mensen zouden moeten streven naar het bereiken van de staat van ataraxia, wat “onbezorgdheid” betekent, een staat waarin de persoon volledig vrij is van alle pijn of lijden. Hij stelde dat het grootste deel van het lijden van de mens veroorzaakt wordt door irrationele angsten voor de dood, goddelijke vergelding en straf in het hiernamaals. In zijn Brief aan Menoeceus legt Epicurus uit dat mensen rijkdom en macht nastreven vanwege deze angsten, in de overtuiging dat meer geld, prestige of politieke invloed hen zal redden van de dood. Hij beweert echter dat de dood het einde van het bestaan is, dat de angstaanjagende verhalen over straffen in het hiernamaals belachelijk bijgeloof zijn, en dat de dood daarom niet gevreesd hoeft te worden. Hij schrijft in zijn Brief aan Menoeceus: “Wen uzelf eraan te geloven dat de dood niets voor ons is, want goed en kwaad impliceren gevoel, en de dood is de ontkenning van alle gevoel;… De dood, het vreselijkste kwaad, is dus niets voor ons, want als wij zijn, is de dood nog niet gekomen, en als de dood komt, zijn wij niet. Uit deze doctrine ontstond het epicuristische grafschrift: Non fui, fui, non-sum, non-curo (Het kan mij niet schelen”), dat op de grafstenen van zijn volgelingen is gegraveerd en op veel oude grafstenen van het Romeinse Rijk te zien is. Dit citaat wordt vandaag vaak gebruikt op humanistische begrafenissen.

De Tetrapharmakos geeft een samenvatting van de kernpunten van de Epicureïsche ethiek:

Hoewel Epicurus vaak verkeerd wordt begrepen als een voorstander van het ongebreideld najagen van genot, beweerde hij in feite dat een mens alleen gelukkig en vrij van lijden kan zijn door verstandig, sober en moreel te leven. Hij keurde rauwe, buitensporige zinnelijkheid sterk af en waarschuwde dat een mens er rekening mee moest houden of de gevolgen van zijn daden tot lijden zouden leiden, en schreef, “het aangename leven wordt niet voortgebracht door een aaneenschakeling van drinkgelagen en feestelijkheden, noch door het genot van jongens en vrouwen, noch door vis en de andere zaken op een duur menu, maar door nuchter redeneren.” Hij schreef ook dat een enkel goed stuk kaas even lekker kon zijn als een heel feestmaal. Verder leerde Epicurus dat “het niet mogelijk is aangenaam te leven zonder verstandig, edel en rechtvaardig te leven”, omdat iemand die zich bezighoudt met oneerlijkheid of onrechtvaardigheid “belast zal zijn met problemen” vanwege zijn eigen schuldige geweten en voortdurend zal vrezen dat zijn wandaden door anderen ontdekt zullen worden. Iemand die echter vriendelijk en rechtvaardig is tegenover anderen, zal geen angst hebben en zal eerder ataraxie bereiken.

Epicurus maakte onderscheid tussen twee verschillende soorten plezier: “bewegende” genoegens (κατὰ κίνησιν ἡδοναί) en “statische” genoegens (καταστηματικαὶ ἡδοναί). “Bewegende” genoegens doen zich voor wanneer men bezig is met het bevredigen van een verlangen en impliceren een actieve prikkeling van de zintuigen. Nadat iemands verlangens zijn bevredigd (bijv. wanneer men vol zit na het eten), gaat het plezier snel weer weg en keert het lijden van het verlangen om het verlangen weer te vervullen terug. Voor Epicurus zijn statische genoegens de beste genoegens, omdat bewegende genoegens altijd gepaard gaan met pijn. Epicurus had een lage dunk van seks en het huwelijk, omdat hij beide van dubieuze waarde achtte. In plaats daarvan beweerde hij dat platonische vriendschappen essentieel zijn voor een gelukkig leven. Een van de Principe Doctrines stelt: “Van de dingen die wijsheid verwerft voor de zegening van het leven als geheel, is verreweg het grootste het bezit van vriendschap.” Hij onderwees ook dat filosofie zelf een genoegen is om mee bezig te zijn. Een van de citaten van Epicurus die in de Vaticaanse spreuken zijn opgenomen, luidt: “Bij andere bezigheden komt de zwaarbevochten vrucht aan het eind. Maar in de filosofie houdt de verrukking gelijke tred met de kennis. Het is niet na de les dat het genot komt: het leren en het genot gebeuren tegelijkertijd.”

Epicurus maakt onderscheid tussen drie soorten verlangens: natuurlijke en noodzakelijke, natuurlijke maar onnodige, en ijdele en lege. Tot de natuurlijke en noodzakelijke verlangens behoren de verlangens naar voedsel en onderdak. Deze zijn gemakkelijk te bevredigen, moeilijk te elimineren, brengen plezier wanneer ze bevredigd zijn, en zijn van nature beperkt. Overschrijding van deze grenzen leidt tot onnodige verlangens, zoals het verlangen naar luxe voedsel. Hoewel voedsel noodzakelijk is, is luxe voedsel niet noodzakelijk. Epicurus pleit dan ook voor een leven van hedonistische matiging door het verlangen te verminderen, waardoor het ongelukkige gevoel dat door onvervulde verlangens wordt veroorzaakt, wordt weggenomen. Vergeefse verlangens zijn verlangens naar macht, rijkdom en roem. Deze zijn moeilijk te bevredigen omdat, hoeveel men ook krijgt, men altijd meer kan willen. Deze verlangens worden ons aangeleerd door de maatschappij en door valse overtuigingen over wat we nodig hebben. Ze zijn niet natuurlijk en moeten worden gemeden.

De leer van Epicurus werd in de medische filosofie en praktijk geïntroduceerd door de Epicurische arts Asclepiades van Bithynië, die de eerste arts was die de Griekse geneeskunde in Rome introduceerde. Asclepiades introduceerde de vriendelijke, sympathieke, aangename en pijnloze behandeling van patiënten. Hij pleitte voor een humane behandeling van psychische stoornissen, liet krankzinnigen uit hun opsluiting bevrijden en behandelde hen met natuurlijke therapie, zoals dieet en massages. Zijn leer is verrassend modern; daarom wordt Asclepiades beschouwd als een pionier arts in psychotherapie, fysiotherapie en moleculaire geneeskunde.

Natuurkunde

Epicurus schrijft in zijn Brief aan Herodotus (niet de geschiedschrijver) dat “er nooit iets voortkomt uit het niet-bestaande”, waarmee hij aangeeft dat alle gebeurtenissen dus oorzaken hebben, ongeacht of die oorzaken bekend of onbekend zijn. Evenzo schrijft hij dat niets ooit in het niets verdwijnt, want “als een voorwerp dat aan ons gezichtsveld voorbijgaat, volledig vernietigd zou worden, zou alles in de wereld vergaan zijn, omdat datgene waarin de dingen vervliegen, niet-bestaand zou zijn”. Hij stelt daarom: “De totaliteit der dingen was altijd zoals zij nu is en zal altijd dezelfde blijven, omdat er niets is waarin zij kan veranderen, omdat er buiten de totaliteit niets is dat kan binnendringen en verandering teweegbrengen.” Net als Democritus voor hem, leerde Epicurus dat alle materie volledig bestaat uit uiterst kleine deeltjes die “atomen” (atomos, wat “ondeelbaar” betekent) worden genoemd. Voor Epicurus en zijn volgelingen was het bestaan van atomen een kwestie van empirische observatie; Epicurus” toegewijde volgeling, de Romeinse dichter Lucretius, noemt in Over de natuur der dingen het geleidelijk afslijten van ringen door het dragen, standbeelden door het kussen, stenen door het besprenkelen met water en wegen door het belopen als bewijs voor het bestaan van atomen als minuscule, onwaarneembare deeltjes.

Evenals Democritus was Epicurus een materialist die leerde dat de enige dingen die bestaan atomen en leegte zijn. Leegte komt voor op elke plaats waar geen atomen zijn. Epicurus en zijn volgelingen geloofden dat atomen en leegte beide oneindig zijn en dat het universum daarom grenzeloos is. In Over de natuur der dingen beargumenteert Lucretius dit aan de hand van het voorbeeld van een man die een speer gooit naar de theoretische grens van een eindig universum. Hij stelt dat de speer ofwel voorbij de rand van het universum moet gaan, in welk geval het niet echt een grens is, ofwel door iets geblokkeerd moet worden en verhinderd moet worden zijn weg te vervolgen, maar, als dat gebeurt, dan moet het object dat de speer blokkeert buiten de grenzen van het universum liggen. Als gevolg van dit geloof dat het heelal en het aantal atomen daarin oneindig zijn, geloofden Epicurus en de Epicuristen dat er ook oneindig veel werelden binnen het heelal moesten zijn.

Epicurus leerde dat de beweging van atomen constant is, eeuwig, en zonder begin of einde. Hij was van mening dat er twee soorten beweging zijn: de beweging van atomen en de beweging van zichtbare voorwerpen. Beide soorten beweging zijn echt en niet illusoir. Democritus beschreef atomen niet alleen als eeuwig bewegend, maar ook als eeuwig vliegend door de ruimte, botsend, samensmeltend en zich van elkaar scheidend als dat nodig was. In een zeldzame afwijking van de natuurkunde van Democritus poneerde Epicurus het idee van de atomaire “zwenking” (Latijn: clinamen), een van zijn bekendste originele ideeën. Volgens dit idee kunnen atomen, wanneer zij zich door de ruimte bewegen, enigszins afwijken van de koers die zij normaal gesproken zouden moeten volgen. Epicurus voerde deze doctrine in omdat hij de begrippen vrije wil en ethische verantwoordelijkheid wilde behouden en toch het deterministische natuurkundige model van het atomisme wilde handhaven. Lucretius beschrijft het als volgt: “Het is deze geringe afwijking van oerlichamen, op onbepaalde tijden en plaatsen, die de geest als zodanig ervan weerhoudt een innerlijke dwang te ervaren bij alles wat hij doet en te worden gedwongen te verdragen en te lijden als een gevangene in ketenen.”

Epicurus was de eerste die beweerde dat de menselijke vrijheid het gevolg was van het fundamentele indeterminisme in de beweging van atomen. Dit heeft sommige filosofen ertoe gebracht te denken dat voor Epicurus de vrije wil rechtstreeks door het toeval werd veroorzaakt. In zijn Over de natuur der dingen lijkt Lucretius dit te suggereren in de bekendste passage over Epicurus” standpunt. In zijn Brief aan Menoeceus volgt Epicurus echter Aristoteles en onderscheidt hij duidelijk drie mogelijke oorzaken: “sommige dingen gebeuren uit noodzaak, andere door toeval, weer andere door onze eigen toedoen.” Aristoteles zei dat sommige dingen “van ons afhangen” (eph”hemin). Epicurus was het daarmee eens en zei dat aan deze laatste dingen op natuurlijke wijze lof en schuld wordt toegekend. Voor Epicurus heeft de “zwenking” van de atomen eenvoudigweg het determinisme overwonnen om ruimte te laten voor autonoom handelen.

Theologie

In zijn Brief aan Menoeceus, een samenvatting van zijn eigen morele en theologische leer, is het eerste advies dat Epicurus zelf aan zijn leerling geeft: “Ten eerste, geloof dat een god een onverwoestbaar en gezegend dier is, in overeenstemming met de algemene opvatting van god die algemeen gangbaar is, en schrijf aan god niets toe dat vreemd is aan zijn onverwoestbaarheid of dat onverenigbaar is met zijn gezegendheid.” Epicurus beweerde dat hij en zijn volgelingen wisten dat de goden bestonden omdat “onze kennis van hen een kwestie is van heldere en duidelijke waarneming”, wat betekent dat mensen hun aanwezigheid empirisch kunnen waarnemen. Hij bedoelde niet dat mensen de goden als fysieke objecten kunnen zien, maar veeleer dat zij visioenen van de goden kunnen zien die gezonden worden vanuit de verre regionen van de interstellaire ruimte waarin zij zich feitelijk bevinden. Volgens George K. Strodach had Epicurus de goden gemakkelijk helemaal kunnen afschaffen zonder zijn materialistische wereldbeeld ingrijpend te veranderen, maar de goden spelen nog steeds een belangrijke functie in Epicurus” theologie als de toonbeelden van morele deugd die moeten worden nagevolgd en bewonderd.

Epicurus verwierp de conventionele Griekse opvatting van de goden als antropomorfe wezens die als gewone mensen op aarde rondliepen, onwettige nakomelingen verwekten bij stervelingen en persoonlijke vetes uitvochten. In plaats daarvan leerde hij dat de goden moreel volmaakte, maar afstandelijke en onbeweeglijke wezens zijn die in de afgelegen gebieden van de interstellaire ruimte leven. In overeenstemming met deze leer verwierp Epicurus met klem het idee dat de goden op enigerlei wijze betrokken waren bij menselijke aangelegenheden. Epicurus beweerde dat de goden zo volmaakt zijn en zo ver van de wereld verwijderd dat zij niet in staat zijn om naar gebeden of smeekbeden te luisteren of om ook maar iets anders te doen dan het overdenken van hun eigen volmaaktheden. In zijn Brief aan Herodotus ontkent hij specifiek dat de goden enige controle hebben over natuurverschijnselen, met het argument dat dit in tegenspraak zou zijn met hun fundamentele aard, die volmaakt is, omdat elke vorm van wereldse betrokkenheid hun volmaaktheid zou bezoedelen. Hij waarschuwde verder dat het geloof dat de goden de natuurverschijnselen beheersen de mensen alleen maar zou misleiden tot het geloven in de bijgelovige opvatting dat de goden de mensen straffen voor verkeerde daden, wat de mensen alleen maar angst inboezemt en verhindert om ataraxia te bereiken.

Epicurus zelf bekritiseert de volksgodsdienst zowel in zijn Brief aan Menoeceus als in zijn Brief aan Herodotus, maar op een ingehouden en gematigde toon. Latere Epicuristen volgden in grote lijnen dezelfde ideeën als Epicurus: zij geloofden in het bestaan van de goden, maar verwierpen nadrukkelijk het idee van goddelijke voorzienigheid. Hun kritiek op de volksreligie is echter vaak minder mild dan die van Epicurus zelf. De Brief aan Pythocles, geschreven door een latere Epicurist, is afwijzend en minachtend ten opzichte van de volksgodsdienst en Epicurus” toegewijde volgeling, de Romeinse dichter Lucretius (ca. 99 v.Chr. – ca. 55 v.Chr.), heeft de volksgodsdienst hartstochtelijk aangevallen in zijn filosofisch gedicht Over de aard der dingen. In dit gedicht verklaart Lucretius dat populaire religieuze praktijken niet alleen geen deugdzaamheid bijbrengen, maar eerder resulteren in “wandaden zowel goddeloos als goddeloos”, waarbij hij het mythische offer van Iphigenia als voorbeeld aanhaalt. Lucretius betoogt dat goddelijke schepping en voorzienigheid onlogisch zijn, niet omdat de goden niet bestaan, maar veeleer omdat deze begrippen onverenigbaar zijn met de Epicuristische principes van onverwoestbaarheid en zaligheid van de goden. De latere Pyrrhonistische filosoof Sextus Empiricus (ca. 160 – ca. 210 AD) verwierp de leer van de Epicureeërs specifiek omdat hij hen beschouwde als theologische “Dogmatici”.

Epicuristische paradox

De epicuristische paradox of het raadsel van Epicurus of Epicurus” trilemma is een versie van het probleem van het kwaad. Lactantius schrijft dit trilemma toe aan Epicurus in De Ira Dei, 13, 20-21:

God, zegt hij, wil òf het kwade wegnemen, maar is daartoe niet in staat; òf Hij is wel in staat, maar wil niet; òf Hij is noch gewillig, noch in staat, òf Hij is beide gewillig en in staat. Indien Hij wil en niet kan, is Hij zwak, hetgeen niet in overeenstemming is met het karakter van God; indien Hij kan en niet wil, is Hij afgunstig, hetgeen eveneens in strijd is met God; indien Hij noch wil noch kan, is Hij zowel afgunstig als zwak, en daarom niet God; indien Hij zowel wil als kan, hetgeen alleen geschikt is voor God, van welke bron zijn dan de kwaden? Of waarom verwijdert Hij ze niet?

In Dialogues concerning Natural Religion (1779) schrijft David Hume het argument ook toe aan Epicurus:

Epicurus” oude vragen zijn nog niet beantwoord. Is hij bereid om het kwaad te voorkomen, maar niet in staat? Dan is hij machteloos. Is hij in staat, maar niet bereid? Dan is hij kwaadaardig. Is hij zowel in staat als bereid? Vanwaar dan het kwaad?

Geen enkel overgeleverd geschrift van Epicurus bevat dit argument. Het overgrote deel van Epicurus” geschriften is echter verloren gegaan en het is mogelijk dat een vorm van dit argument is terug te vinden in zijn verloren traktaat Over de Goden, dat Diogenes Laërtius beschrijft als een van zijn grootste werken. Als Epicurus werkelijk een of andere vorm van dit argument heeft gebruikt, zou het geen argument tegen het bestaan van godheden zijn geweest, maar eerder een argument tegen de goddelijke voorzienigheid. De overgebleven geschriften van Epicurus tonen aan dat hij wel degelijk geloofde in het bestaan van godheden. Bovendien was godsdienst zo”n integraal onderdeel van het dagelijks leven in Griekenland tijdens de vroege Hellenistische periode dat het twijfelachtig is of iemand in die periode een atheïst in de moderne zin van het woord kon zijn. In plaats daarvan werd het Griekse woord ἄθεος (átheos), dat “zonder god” betekent, gebruikt als een scheldwoord, niet als een poging om iemands geloofsovertuiging te beschrijven.

Politiek

Epicurus propageerde een vernieuwende theorie van rechtvaardigheid als een sociaal contract. Gerechtigheid, zei Epicurus, is een overeenkomst om niet te schaden en niet geschaad te worden, en we hebben zo”n contract nodig om ten volle te kunnen genieten van de voordelen van het samenleven in een goed geordende samenleving. Wetten en straffen zijn nodig om misleide dwazen in het gareel te houden die anders het contract zouden verbreken. Maar de wijze mens ziet het nut van rechtvaardigheid in, en vanwege zijn beperkte verlangens heeft hij er geen behoefte aan om zich hoe dan ook in te laten met het gedrag dat door de wetten verboden wordt. Wetten die nuttig zijn om het geluk te bevorderen zijn rechtvaardig, maar wetten die niet nuttig zijn, zijn niet rechtvaardig. (Hoofdleer 31-40)

Epicurus ontmoedigde deelname aan de politiek, omdat dit leidt tot verstoring en het zoeken naar status. In plaats daarvan pleitte hij ervoor de aandacht niet op zichzelf te vestigen. Dit principe wordt belichaamd door de uitdrukking lathe biōsas (λάθε βιώσας), wat “leven in obscuriteit” betekent, “door het leven gaan zonder de aandacht op jezelf te vestigen”, d.w.z. leven zonder glorie of rijkdom of macht na te streven, maar anoniem, genietend van kleine dingen als eten, het gezelschap van vrienden, enz. Plutarch werkte dit thema verder uit in zijn essay Is het gezegde “Leef in onopvallendheid” juist? (vgl. Flavius Philostratus, Vita Apollonii 8.28.12.

Epicurus was een zeer productief schrijver. Volgens Diogenes Laërtius schreef hij ongeveer 300 verhandelingen over een verscheidenheid van onderwerpen. Van Epicurus zijn tot op heden meer originele geschriften bewaard gebleven dan van welke andere hellenistische Griekse filosoof ook. Niettemin is het overgrote deel van alles wat hij schreef verloren gegaan en het meeste van wat bekend is over Epicurus” leer is afkomstig uit de geschriften van zijn latere volgelingen, met name de Romeinse dichter Lucretius. De enige overgeleverde complete werken van Epicurus zijn drie relatief lange brieven, die in hun geheel worden geciteerd in Boek X van Diogenes Laërtius”s Levens en Meningen van Eminente Filosofen, en twee groepen citaten: de Belangrijkste Leerstellingen (Κύριαι Δόξαι), die eveneens bewaard zijn gebleven door middel van een citaat van Diogenes Laërtius, en de Vaticaanse Uitspraken, bewaard in een manuscript uit de Vaticaanse Bibliotheek dat in 1888 voor het eerst werd ontdekt. In de Brief aan Herodotus en de Brief aan Pythocles geeft Epicurus een samenvatting van zijn filosofie over de natuur en in de Brief aan Menoeceus geeft hij een samenvatting van zijn morele leer. Talrijke fragmenten van Epicurus” verloren gegane, zevenendertig delen tellende verhandeling over de natuur zijn gevonden tussen de verkoolde papyrusfragmenten in de Villa van de Papyri te Herculaneum. Geleerden begonnen in 1800 voor het eerst te proberen deze rollen te ontrafelen en te ontcijferen, maar de inspanningen zijn moeizaam en worden nog steeds voortgezet.

Volgens Diogenes Laertius (10.27-9) omvatten de belangrijkste werken van Epicurus:

Het oude Epicureanisme

Epicurisme was van meet af aan buitengewoon populair. Diogenes Laërtius schrijft dat het aantal Epicuristen over de hele wereld groter was dan het aantal inwoners van hele steden. Toch werd Epicurus niet door iedereen bewonderd en tijdens zijn eigen leven werd hij verguisd als een onwetende hansworst en een egoïstische sybariet. Hij bleef gedurende de volgende bijna vijf eeuwen de meest bewonderde en tegelijkertijd meest verachte filosoof in het Middellandse-Zeegebied. Het epicurisme verspreidde zich snel buiten het Griekse vasteland over de hele mediterrane wereld. In de eerste eeuw voor Christus had het een stevige voet aan de grond gekregen in Italië. De Romeinse redenaar Cicero (106 – 43 v.Chr.), die de Epicuristische ethiek betreurde, klaagde: “De Epicuristen hebben Italië stormenderhand veroverd”.

De overgrote meerderheid van de overgeleverde Griekse en Romeinse bronnen is uitgesproken negatief over het Epicurisme en, volgens Pamela Gordon, beschrijven zij Epicurus zelf stelselmatig als “monsterlijk of lachwekkend”. Vooral veel Romeinen stonden negatief tegenover het Epicurisme, omdat zij het streven naar voluptas (“plezier”) in strijd achtten met het Romeinse ideaal van virtus (“mannelijke deugd”). De Romeinen stereotypeerden Epicurus en zijn volgelingen daarom vaak als zwak en verwijfd. Prominente critici van zijn filosofie zijn vooraanstaande auteurs als de Romeinse stoïcijn Seneca de Jongere (ca. 4 v.Chr. – ca. 65 n.Chr.) en de Griekse Midden-Platonist Plutarchus (ca. 46 – ca. 120), die beide deze stereotypen als immoreel en onfatsoenlijk bespotten. Gordon karakteriseert de anti-Epicuristische retoriek als zo “zwaar op de hand” en zo”n onjuiste voorstelling van Epicurus” eigenlijke leer dat ze soms “komisch” overkomen. In zijn De vita beata stelt Seneca dat de “sekte van Epicurus… een slechte reputatie heeft, en toch verdient zij die niet” en vergelijkt haar met “een man in een jurk: uw kuisheid blijft, uw viriliteit is onaangetast, uw lichaam heeft zich niet seksueel onderworpen, maar in uw hand is een timpaan”.

Epicurus” latere volgelingen breidden zijn filosofie weliswaar uit, maar zij hielden dogmatisch vast aan wat hij zelf oorspronkelijk had onderwezen, zonder deze te wijzigen. Epicuristen en bewonderaars van het Epicurisme vereerden Epicurus zelf als een groot leraar in de ethiek, een verlosser, en zelfs als een god. Zijn beeltenis werd aan vingerringen gedragen, portretten van hem werden in huiskamers opgehangen, en rijke volgelingen vereerden gelijkenissen van hem in marmeren beeldhouwwerk. Zijn bewonderaars vereerden zijn uitspraken als goddelijke orakels, droegen kopieën van zijn geschriften bij zich en koesterden kopieën van zijn brieven als de brieven van een apostel. Op de twintigste dag van elke maand voerden de bewonderaars van zijn leer een plechtig ritueel uit om zijn nagedachtenis te eren. Tegelijkertijd werd hij door de tegenstanders van zijn leer met hevigheid en volharding aan de kaak gesteld.

In de eerste en tweede eeuw na Christus begon het Epicurisme echter geleidelijk in verval te raken, omdat het niet kon concurreren met het Stoïcisme, dat een ethisch systeem had dat meer in overeenstemming was met de traditionele Romeinse waarden. Het Epicurisme raakte ook in verval in het kielzog van het Christendom, dat zich ook snel uitbreidde in het Romeinse Rijk. Van alle Griekse filosofische stromingen stond het Epicurisme het meest op gespannen voet met de nieuwe christelijke leer, omdat Epicuristen geloofden dat de ziel sterfelijk was, het bestaan van een hiernamaals ontkenden, ontkenden dat het goddelijke een actieve rol in het menselijk leven speelde, en pleitten voor genot als het belangrijkste doel van het menselijk bestaan. Christelijke schrijvers als Justin Martyr (ca. 100-c. 165 n.Chr.), Athenagoras van Athene (ca. 133-c. 190), Tertullianus (ca. 155-c. 240), en Clement van Alexandrië (ca. 150-c. 215), Arnobius (gestorven ca. 330), en Lactantius (ca. 250-c. 325) hebben de Epicurist dan ook het vaakst aan de kaak gesteld.

Desondanks betoogt DeWitt dat het Epicurisme en het Christendom veel taal gemeen hebben, en noemt hij het Epicurisme “de eerste zendingsfilosofie” en “de eerste wereldfilosofie”. Zowel het Epicurisme als het Christendom legden sterk de nadruk op het belang van liefde en vergeving, en de vroegchristelijke portretten van Jezus lijken vaak op de Epicuristische portretten van Epicurus. DeWitt stelt dat het Epicurisme in veel opzichten heeft geholpen de weg te banen voor de verspreiding van het Christendom door “te helpen de kloof te overbruggen tussen Grieks intellectualisme en een religieuze manier van leven” en “de nadruk te verschuiven van politieke naar sociale deugden en aan te bieden wat een religie van menselijkheid genoemd kan worden”.

Middeleeuwen

In het begin van de vijfde eeuw na Christus was het Epicurisme zo goed als uitgestorven. De christelijke kerkvader Augustinus van Hippo (354-430 n.Chr.) verklaarde: “De as ervan is zo koud dat er geen enkele vonk meer uit kan worden geslagen.” Terwijl de ideeën van Plato en Aristoteles gemakkelijk konden worden aangepast aan een christelijk wereldbeeld, waren de ideeën van Epicurus lang niet zo gemakkelijk te aanvaarden. Terwijl Plato en Aristoteles gedurende de Middeleeuwen een bevoorrechte plaats innamen in de Christelijke filosofie, stond Epicurus niet in een dergelijk hoog aanzien. Informatie over Epicurus” leer was beschikbaar, via Lucretius” Over de aard der dingen, citaten ervan in middeleeuwse Latijnse grammatica”s en florilegia, en encyclopedieën, zoals Isidore van Sevilla”s Etymologiae (zevende eeuw) en Hrabanus Maurus” De universo (negende eeuw), maar er is weinig bewijs dat deze leer systematisch bestudeerd of begrepen werd.

Tijdens de Middeleeuwen werd Epicurus door de geleerden herinnerd als een filosoof, maar in de populaire cultuur verscheen hij vaak als een poortwachter naar de Tuin der Lusten, de “eigenaar van de keuken, de taveerne en het bordeel”. Hij verschijnt in deze gedaante in Martianus Capella”s Huwelijk van Mercurius en Filologie (vijfde eeuw), John of Salisbury”s Policraticus (1159), John Gower”s Mirour de l”Omme, en Geoffrey Chaucer”s Canterbury Tales. Epicurus en zijn volgelingen komen voor in Dante Alighieri”s Inferno in de Zesde Cirkel van de Hel, waar zij worden opgesloten in brandende doodskisten omdat zij geloofden dat de ziel met het lichaam sterft.

Renaissance

In 1417 ontdekte een manuscriptenjager genaamd Poggio Bracciolini in een klooster bij het Bodenmeer een exemplaar van Lucretius” Over de natuur der dingen. De ontdekking van dit manuscript werd met grote opwinding begroet, omdat geleerden stonden te popelen om de leer van de klassieke filosofen te analyseren en te bestuderen, en deze voorheen vergeten tekst bevatte de meest uitgebreide beschrijving van Epicurus” leer die in het Latijn bekend was. De eerste wetenschappelijke verhandeling over Epicurus, De voluptate (Over het genot) van de Italiaanse humanist en katholieke priester Lorenzo Valla werd in 1431 gepubliceerd. Valla maakte geen melding van Lucretius of zijn gedicht. In plaats daarvan presenteerde hij het traktaat als een discussie over de aard van het hoogste goed tussen een Epicurist, een Stoïcijn en een Christen. Valla”s dialoog verwerpt uiteindelijk het Epicurisme, maar door een Epicurist als deelnemer aan het dispuut te presenteren, gaf Valla het Epicurisme geloofwaardigheid als een filosofie die het verdiende om serieus genomen te worden.

Opwekking

In de zeventiende eeuw trachtte de Franse katholieke priester en geleerde Pierre Gassendi (1592-1655) het Aristotelianisme van zijn positie van hoogste dogma te verdrijven door het Epicureanisme voor te stellen als een beter en rationeler alternatief. In 1647 publiceerde Gassendi zijn boek De vita et moribus Epicuri (Het leven en de moraal van Epicurus), een hartstochtelijke verdediging van het Epicureanisme. In 1649 publiceerde hij een commentaar op Diogenes Laërtius” Leven van Epicurus. Hij liet Syntagma philosophicum (Filosofisch Compendium), een synthese van Epicureïsche doctrines, onvoltooid op het moment van zijn dood in 1655. Het werd uiteindelijk gepubliceerd in 1658, na te zijn herzien door zijn redacteuren. Gassendi wijzigde de leerstellingen van Epicurus om ze geschikt te maken voor een christelijk publiek. Hij betoogde bijvoorbeeld dat atomen niet eeuwig, ongeschapen en oneindig in aantal waren, maar dat een zeer groot maar eindig aantal atomen door God bij de schepping was geschapen.

Als gevolg van Gassendi”s wijzigingen werden zijn boeken nooit gecensureerd door de Katholieke Kerk. Ze oefenden een grote invloed uit op latere geschriften over Epicurus. Gassendi”s versie van Epicurus” leer werd populair onder sommige leden van Engelse wetenschappelijke kringen. Voor deze geleerden was Epicurus” atomisme echter slechts een uitgangspunt voor hun eigenzinnige bewerkingen ervan. Voor orthodoxe denkers werd het Epicurisme nog steeds als immoreel en ketters beschouwd. Lucy Hutchinson (1620-1681), de eerste vertaalster van Lucretius” On the Nature of Things in het Engels, hekelde Epicurus bijvoorbeeld als “een krankzinnige hond” die “belachelijke, goddeloze, verfoeilijke doctrines” formuleerde.

Epicurus” leer werd in Engeland gerespecteerd door de natuurfilosoof Walter Charleton (1619-1707), wiens eerste epicuristische werk, The Darkness of Atheism Dispelled by the Light of Nature (1652), het epicurisme naar voren bracht als een “nieuw” atomisme. Zijn volgende werk Physiologia Epicuro-Gassendo-Charletoniana, or a Fabrick of Science Natural, upon a Hypothesis of Atoms, Founded by Epicurus, Repaired by Petrus Gassendus, and Augmented by Walter Charleton (1654) benadrukte dit idee. Deze werken, samen met Charleton”s Epicurus”s Morals (1658), voorzagen het Engelse publiek van gemakkelijk verkrijgbare beschrijvingen van Epicurus” filosofie en verzekerden orthodoxe Christenen ervan dat het Epicureanisme geen bedreiging vormde voor hun geloof. De Royal Society, opgericht in 1662, propageerde het Epicuristische atomisme. Een van de meest productieve verdedigers van het atomisme was de scheikundige Robert Boyle (1627-1691), die het bepleitte in publicaties als The Origins of Forms and Qualities (1666), Experiments, Notes, etc. about the Mechanical Origin and Production of Divers Particular Qualities (1675), en Of the Excellency and Grounds of the Mechanical Hypothesis (1674). Tegen het einde van de zeventiende eeuw werd het epicuristische atomisme door leden van de Engelse wetenschappelijke gemeenschap algemeen aanvaard als het beste model om de fysieke wereld te verklaren, maar het was zo ingrijpend gewijzigd dat Epicurus niet langer werd gezien als de oorspronkelijke vader ervan.

Verlichting en daarna

De anti-Epicuristische polemieken van de Anglicaanse bisschop Joseph Butler in zijn Fifteen Sermons Preached at the Rolls Chapel (1726) en Analogy of Religion (1736) bepaalden de toon voor wat de meeste orthodoxe christenen geloofden over het Epicurisme gedurende de rest van de achttiende en negentiende eeuw. Toch zijn er een paar aanwijzingen uit deze periode van Epicurus” verbeterende reputatie. Epicurisme begon zijn associaties te verliezen met ongenuanceerde en onverzadigbare gulzigheid, die sinds de oudheid kenmerkend waren geweest voor zijn reputatie. In plaats daarvan begon het woord “epicurist” te verwijzen naar een persoon met een uiterst verfijnde smaak in eten. Voorbeelden van dit gebruik zijn “Epicuristische koks scherpen zijn eetlust met een saus zonder kruidnagels” uit William Shakespeare”s Antony and Cleopatra (ca. 1607) en “zo”n epicurist was Potifar – om zijn tand te behagen en zijn vlees te verwennen met delicatessen” uit William Whately”s Prototypes (1646).

Rond dezelfde tijd begon ook het Epicuristische gebod om “in het verborgene te leven” aan populariteit te winnen. In 1685 gaf Sir William Temple (1628-1699) een veelbelovende carrière als diplomaat op en trok zich in plaats daarvan terug in zijn tuin, waar hij zich toelegde op het schrijven van essays over Epicurus” morele leerstellingen. In datzelfde jaar vertaalde John Dryden de beroemde regels uit Boek II van Lucretius” Over de aard der dingen: “T”Tis aangenaam, veilig om vanaf de wal het roeiende schip te aanschouwen, en de tempest te horen brullen.” Ondertussen bewerkte John Locke (1632-1704) Gassendi”s aangepaste versie van Epicurus” epistemologie, die zeer invloedrijk werd voor het Engelse empirisme. Veel denkers met sympathieën voor de Verlichting onderschreven het Epicurisme als een bewonderenswaardige morele filosofie. Thomas Jefferson (1743-1826), één van de Founding Fathers van de Verenigde Staten, verklaarde in 1819: “Ook ik ben een Epicurist. Ik beschouw de echte (niet toegeschreven) doctrines van Epicurus als alles wat de rationele morele filosofie van Griekenland en Rome ons heeft nagelaten.”

De Duitse filosoof Karl Marx (1818-1883), wiens ideeën aan het marxisme ten grondslag liggen, werd als jongeman diepgaand beïnvloed door de leer van Epicurus en zijn doctoraalscriptie was een Hegeliaanse dialectische analyse van de verschillen tussen de natuurfilosofieën van Democritus en Epicurus. Marx zag Democritus als een rationalistische scepticus, wiens epistemologie inherent tegenstrijdig was, maar zag Epicurus als een dogmatische empiricus, wiens wereldbeeld innerlijk consistent en praktisch toepasbaar is. De Britse dichter Alfred Tennyson (1809-1892) prees “the sober majesties of settled, sweet, Epicurean life” in zijn gedicht “Lucretius” uit 1868. Epicurus” ethische leer had ook een indirecte invloed op de filosofie van het Utilitarisme in Engeland tijdens de negentiende eeuw.

Friedrich Nietzsche heeft ooit opgemerkt: “Ook nu nog denken veel ontwikkelde mensen dat de overwinning van het christendom op de Griekse filosofie een bewijs is van de superieure waarheid van de eerste – hoewel in dit geval alleen het grovere en gewelddadigere het heeft afgelegd tegen het meer geestelijke en delicate. Wat de superieure waarheid betreft, is het voldoende vast te stellen dat de ontwakende wetenschappen zich punt voor punt hebben aangesloten bij de filosofie van Epicurus, maar punt voor punt het christendom hebben verworpen.”

De academische belangstelling voor Epicurus en andere hellenistische filosofen is in de loop van de late twintigste en vroege eenentwintigste eeuw toegenomen, met een ongekend aantal monografieën, artikelen, samenvattingen en conferentiestukken die over het onderwerp zijn gepubliceerd. De teksten uit de bibliotheek van Philodemus van Gadara in de Villa van de Papyri in Herculaneum, voor het eerst ontdekt tussen 1750 en 1765, worden ontcijferd, vertaald en gepubliceerd door geleerden die deel uitmaken van het Philodemus Translation Project, gefinancierd door de United States National Endowment for the Humanities, en onderdeel van het Centro per lo Studio dei Papiri Ercolanesi in Napels. De aantrekkingskracht van Epicurus onder niet-geleerden is moeilijk te meten, maar lijkt relatief vergelijkbaar met de aantrekkingskracht van meer traditioneel populaire antieke Griekse filosofische onderwerpen zoals stoïcisme, Aristoteles en Plato.

Bibliografie

Bronnen

  1. Epicurus
  2. Epicurus
Ads Blocker Image Powered by Code Help Pro

Ads Blocker Detected!!!

We have detected that you are using extensions to block ads. Please support us by disabling these ads blocker.